Het depot
Het depot
Dit verhaal, een verzonnen verhaal, gaat over Esmee, een jonge volwassen vrouw, die in de maatschappelijke opvang terecht is gekomen. Daar verblijft ze tussen drugsverslaafden, ex-gedetineerden en andere mensen, die om wat voor reden dan ook, dakloos zijn geworden. Bij het vinden van huisvesting krijgt ze hulp van Fenke die daar echter bijbedoelingen bij heeft. Als Esmee in haar appartement is ingetrokken, krijgt ze bezoek van Fenke die haar vraagt spullen van hem tijdelijk bij haar op te slaan. Aanvankelijk weigert ze, maar later geeft ze toe. Dit is tevens een verhaal over de veiligheidsdienst waar een ongeluk is gebeurd. Daardoor wordt naar opslagruimte gezocht, waarbij de hulp van criminelen
wordt ingeroepen.


Het depot
Aan het begin van dit verhaal stond hij aan de oever van de rivier. Hij keek op naar de brug die een snelweg verbond van de ene naar een andere stad. Hij keek om zich heen. Het was rustig en stil. De natuur was heel levendig na een lange winter. De bloemen stonden vol in bloei. Vogeltjes vlogen levenslustig langs de oever van de rivier op zoek naar voedsel dat volop aanwezig was. Op de rivier was het druk. Vrachtschepen voeren in beide richtingen voorbij, van noord naar zuid en vice versa. Daartussen waren er kleinere boten van de pleziervaart. Vakantiegangers die voor kortere of langere duur een plaatsje hadden in de jachthaven aan de overkant van de rivier.
Hij liep langs de oever en passeerde de gebouwen van een bouwbedrijf die enkele tientallen meters van hem vandaan aan een weg lag. Twee vogeltjes vlogen rakelings langs hem heen vechtend om het voedsel dat een van de vogeltjes in zijn bek hield. Een stukje verderop zag hij er twee die, zo zag het ernaar uit, bezig waren met een paringsdans. De lucht zat vol geluiden van de natuur. Ergens rende een konijn snel voorbij totdat hij uit het zicht was verdwenen. In de lucht hingen enkele roofvogels die de rivier overstaken richting akkers en bossen.
Alne, kort van postuur en een bril op, liep verder naar 'De Opvang' waar hij voor tijdelijk onderdak had gekregen. Fenke Drepsel een vriend van hem was daar ook. Fenke Drepsel kon heel innemend overkomen en was erg behulpzaam en vriendelijk, voorkomend, maar had ook zijn slechte kanten waarbij hij erg kwaad kon worden en in een tot aan razernij grenzende woede kon uitbarsten als hij zijn gelijk en zijn zin niet kreeg. Wat dat betreft, deed hij niets onder voor Alne. Onderweg liep hij langs café 'Hof Duf' en begroette mama M die ongeïnteresseerd routinematig teruggroette en daarna haar klanten verder bediende. Glakkert, een bekende van Alne, zat daar ook en zag Alne voorbijlopen. De schoenen van Alne waren versleten en hij schopte onderweg tegen enkele voorwerpen die op straat lagen. Hij dacht terug aan een paar maanden geleden hoe hij een partij balpennen die hij op slinkse manier had verkregen had doorgesluisd naar een kennis van Fenke. Aangekomen bij 'De Opvang' belde hij aan en de deur werd voor hem opengemaakt. Na een korte begroeting liep hij door naar zijn kamer. Onderweg kwam hij nog enkele medebewoners tegen die hij niet begroette.
De volgende dag scheen de zon al vroeg over de daken van de gebouwen en huizen van de stad. Het was een wolkeloze blauwe hemel. De nachtwaker van 'De Opvang' had net een kan koffie gezet. Het personeel van 'De Opvang' moest nog beginnen die dag. Hij moest denken aan een collega van hem die de vorige week te horen had gekregen dat hij niet meer hoefde te komen, nadat er 9 pakken koffie waren verdwenen tijdens zijn nachtdienst.
De tijd liep verder en nadat het personeel van de dagdienst binnen was, kwam het ogenblik dichterbij dat er gelegenheid was voor het ontbijt.
‘Goedemorgen’ klonk het enkele keren, nadat enkele bewoners van 'De Opvang', waaronder Perasender en Deeba, de eetkamer waren binnengekomen voor het ontbijt. De bewoners begonnen gesprekken met elkaar.
‘Goedemorgen Deeba, heb je goed geslapen?’ vroeg Fenke aan haar, vriendelijk en voorkomend.
‘Goedemorgen, ja het gaat wel en jij?’ antwoordde ze.
‘O, ik heb goed geslapen, maar ben ‘s-morgens altijd vroeg wakker. Vanmorgen heb ik voor Alne nog wat na kunnen kijken op de computer. Hij kan dat niet, ik ken hem. Hij heeft daar het geduld niet voor en als ik hem daarmee kan helpen dan doe ik dat graag’, zei Fenke alsof hij enigszins in verlegenheid was gebracht, maar zijn altruïstische bedoelingen duidelijk wilde laten uitkomen. Ondertussen waren er nog een paar bewoners de eetkamer binnengekomen. Kennelijk ging het hen niet zozeer om het ontbijt, maar om iemand van het personeel te spreken. Bloesem had die dag dienst en kreeg al snel enkele vragen gesteld van huishoudelijke aard. Andere bewoners begonnen te mopperen over waarom bepaalde dingen zo geregeld waren. Zo ging het ontbijt voorbij en werden de spullen voor het ontbijt teruggezet, de smerige vaat werd voor een deel met de hand afgewassen en voor een deel in de vaatwasser gezet. Tijdens deze bezigheden kwam Alne de eetkamer binnen en hem werd gezegd dat hij te laat was voor het ontbijt. Nog voordat dit was gezegd zei hij al
dat hij niets wilde eten. Hij ging aan tafel zitten tegenover Fenke en beide begonnen een gesprek met elkaar. Alne vroeg aan Fenke ‘Heb je nog gekeken op internet?’.
‘Ja’ zei Fenke ‘Ik was vanmorgen vroeg op en heb het even voor je nagekeken. Ik heb zelf ook met een vergelijkbare situatie te maken gehad, daarom kon ik het gemakkelijk en snel vinden, nou ja snel, ik heb het in elk geval gevonden. Het is eigenlijk heel eenvoudig’ zei hij, terwijl Alne de hele tijd nagenoeg onbeweeglijk voor hem had gezeten. ‘Je hoeft niets te doen, je hoeft alleen maar af te wachten’.
Ze bleven nog een tijdlang met elkaar praten waarbij Alne zijn situatie nog verder uiteenzette. Fenke begon aan Alne vragen te stellen die hij niet juist en ontwijkend beantwoordde. Eigenlijk had hij te weinig kennis van zaken en wilde hij vooral laten merken dat hij het op zijn manier, zoals hij erover dacht, wilde aanpakken. Fenke ging verder met hem te vertellen dat hij bekend was met zijn situatie. Dat hij er ervaring in had en dat hij wist wat hij nu moest doen. ‘Oké, oké’, zei Alne, ‘Ik zal afwachten’. Hierna spraken ze af dat als Alne bericht zou krijgen dat hij dat dan aan Fenke zou vertellen. Daarna verliet Alne de eetkamer en Fenke ging weer aan de tafel in de eetkamer zitten. Hij begon aan medebewoners te vertellen dat hij bekend was met het probleem van Alne en dat hij Alne kon helpen. Perasender was ondertussen een gesprek begonnen met Deeba waarin hij uitlegde wat zijn probleem op dat ogenblik was en wat hij eraan wilde gaan doen. Fenke meende dat hij van dat gesprek iets had opgevangen en begon voorzichtig ernaar te informeren bij Perasender.
Het was Deeba die antwoord gaf, waarna Perasender het gesprek afbrak en wegliep.
‘Ik moet nu weg’, zei hij.
‘Laat je me weten hoe het is gegaan’, vroeg Fenke.
Zonder te antwoorden liep Perasender de deur uit.
De eetkamer was nu bijna verlaten. Alleen Fenke en Deeba waren er nog. Zij had ook problemen. Haar vader had de Nederlandse nationaliteit en haar moeder kwam uit Noord-Afrika. Zij had papieren nodig uit Noord-Afrika
om in aanmerking te kunnen komen voor een bepaalde uitkering en om nog een aantal andere zaken te regelen.
Fenke ging bedachtzaam een gesprek aan met Deeba om erachter te komen wat haar situatie was. Ze was een spontane vrouw en zij vertelde nogal snel wat haar situatie was. Nadat hij haar had verteld dat hij haar zo mogelijk kon helpen met het een en ander gingen ze beide hun eigen weg.
Fenke kwam eigenlijk niet in aanmerking voor een plek in 'De Opvang', maar met zijn maniertjes en enkele leugens kreeg hij die toch voor tijdelijk. Hij had een woning en ging daar ook regelmatig naartoe. Alne was verslaafd en had vaker wat nodig. Hij was dakloos geworden en wilde een ander leven beginnen had hij verteld tijdens de intake. Ook hij kon voor tijdelijk een plek krijgen bij 'De Opvang'.
Fenke kende een voormalig boekhouder uit de onderwereld die door de politie gepakt werd toen hij nog waardevolle informatie had over illegale financiële geldstromen. Hij had daar nooit iets over losgelaten tijdens de ondervragingen van de recherche. Ook niet toen hij door de rechtbank werd veroordeeld en in de
gevangenis was beland. Op een gegeven ogenblik waren de illegale geldbedragen verplaatst en was zijn informatie niets meer waard.
Nadat de boekhouder uit de gevangenis was gekomen waren enkele criminele bazen hem erg dankbaar. Ook nu nog kon hij op hun steun rekenen, financieel, materieel, enz. Hij bezat tevens wat maniertjes om in contact te kunnen komen met bestuurlijke ambtenaren die hem zo af en toe een dienst bewezen en eigenlijk voor hem werkten, ook al zagen zij dit anders en als zijn maniertjes al niet genoeg waren dan deed de geldbuidel en zo af en toe een wederdienst, wel de rest. Het kwam hem ook goed uit dat deze bestuurlijke ambtenaren connecties hadden met de inlichtingendiensten. Zo kon hij ook deze diensten gebruiken voor zijn zaken en die van zijn criminele bazen.
Het verbaasde hem dat hun drugsgebruik zo hoog was. Hij had een heel andere kijk gekregen op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en hoe meer dat hij ervan af kwam te weten des te beter leerde hij ze kennen. Hij en zijn criminele bazen zouden wel met hun op kunnen schieten.
Fenke was een tijd geleden bij de boekhouder Bimm geweest. Hij woonde nu in een betere buurt. Het huis stond niet op zijn naam, maar hij kon er vrijelijk gebruik van maken, alsof het huis van hem was. Bimm had Fenke gevraagd hem op te zoeken.
‘Ik heb een adresje nodig, Fenke en ik ga je niet vertellen waarvoor’ zei Bimm nadat Fenke bij de woning van Bimm was gearriveerd en ze samen een kop koffie hadden gedronken. ‘Het moet een beetje een onopvallend adresje zijn dat het maar een betrekkelijk korte tijd vol kan houden. Een adresje waar nog niet veel is voorgevallen’.
‘Wanneer heb je dat nodig’ vroeg Fenke.
‘Over een paar maanden denk ik zo, lukt dat?’.
‘Nou ja, dat weet ik nog niet. Ik heb daar wat hulp bij nodig, die moet ook net tijd hebben, hé?’ ging Fenke verder.
‘Oh, kom op nou Fenke. Ik weet dat je dat lukt. Als je probeert meer uit de klus te halen dan is dat goed en dan heb je geluk, want ik moet dat adresje over enkele maanden hebben. Je krijgt er de helft meer voor’, zei Bimm grijnzend met een aanstekelijke glimlach.
‘Nou, Bimm, ik zal je wat vertellen, vandaag heb jij ook geluk. Ik doe het’.
Fenke ging weer op pad met een opdracht van Bimm. Dat had slechter gekund, dacht hij bij zichzelf. Nou nog met Alne praten en dan kunnen we.
De volgende dag was er een hoop kabaal en geschreeuw bij 'De Opvang'. Gerd-Jan, een bewoner van 'De Opvang', kwam naar beneden gehold, nogal overstuur kwam hij de eetkamer binnen en vertelde opgewonden dat van hem twee mobiele telefoons waren gestolen. Even was hij naar de doucheruimte geweest en daarna weer direct teruggegaan naar zijn slaapkamer. Zijn twee telefoons waren weg. Grote ontsteltenis bij de bewoners die op dat ogenblik in de eetzaal waren. Hoe kon iemand dat nou doen. Stelen van iemand die toch al niets meer heeft. Allerlei suggesties werden door elkaar geroepen. ‘Bel gauw het nummer van een van je telefoons’, werd er geroepen. ‘Doe aangifte bij de politie’, riep een ander. ‘Ja, net de politie’, zei Alne. ‘Die doen niets, die gaan zich toch niet druk maken om een paar gestolen mobiele telefoontjes bij 'De Opvang'’.
Natan die op dat ogenblik dienst had, probeerde de rust te herstellen onder de bewoners en kalm en gedecideerd sprak hij tegen Gerd-Jan dat het inderdaad geen zin had de politie te bellen. Ook had het geen zin om een van je mobiele telefoons te bellen, zei Natan. ‘Uit mijn ervaring denk ik dat je telefoons allang uit het pand zijn verdwenen samen met de dief. Het kan ook zijn dat de dief buiten iemand had staan wachten en het aan die persoon heeft gegeven, waarna hij weer terug naar binnen is gekomen. In elk geval denk ik dat jij je mobiele telefoons kwijt bent en niet meer terug zal zien. Uiteraard zullen we degene die je telefoons heeft gestolen en we zouden erachter komen wie dat was, direct uit 'De Opvang' verwijderen’.
Nadat de rust was teruggekeerd zat Alne met Fenke aan tafel te praten. Perasender met wie Fenke eerder nog had gesproken begon tegen Fenke te praten en vertelde hem dat zijn advies goed was en dat hij er direct werk van ging maken. Verheugd liep hij door de zijdeur van de keuken naar buiten, stapte op zijn fiets en reed weg. Dit was de andere bewoners opgevallen en ze begonnen meer op Fenke te letten.
Een aantal weken gingen voorbij. Fenke en Alne zaten heel vaak in de eetkamer aan tafel en bespraken de situatie van Alne. Vaak traden ze in herhaling maar dat scheen niemand op te vallen. Bewoners gingen Fenke meer vragen stellen hoe ze iets voor elkaar konden krijgen. Ook Fenke ging zich meer tot de bewoners richten en sprak ze aan over hun problemen. ‘Misschien kan ik je wel helpen’ zei hij dan. Door zijn vriendelijkheid en behulpzaamheid aan bijvoorbeeld Alne, maar ook door zijn deskundigheid bij het oplossen van
eenvoudige en soms minder eenvoudige problemen, vertelden bewoners soms schaamteloos hun hele situatie. Dat ze zich daarbij vaak kwetsbaar opstelden bleef Fenke en Alne niet onopgemerkt.
Op een dag kwam Alne van een gesprek dat hij met Natan had gehad. Hij was tamelijk luidruchtig en liep snel naar de eetkamer waar enkele bewoners en Fenke bezig waren de tafel op te ruimen. Iedereen had het druk die dag. De een moest naar de gemeente, de ander naar een cursus en nog een ander deed gewoon mee in de drukte en ging ook weg. Hij was ontevreden over de begeleiding van 'De Opvang' en stak dat niet onder stoelen of banken. Luidruchtig zodat iedereen het kon horen zei hij: ´Ik praat niet meer met die van hier over mijn zaken, nooit meer. Fenke, alleen met jou, alleen met jou wil ik mijn zaken nog bespreken. Jouw vertrouw ik. Jij doet tenminste wat ik…… Ik vertrouw alleen jou Fenke’.
‘Wat is d’r dan?’, zei Fenke.
‘Oh, zij willen……. Oh. Dat leg ik je later wel uit’.
Hiermee hadden ze hun beoogde doel bereikt. Bewoners gingen Fenke meer vertrouwen en voordat het avond was wisten alle bewoners van 'De Opvang' wat er was gebeurd en wat Alne tegen Fenke had gezegd.
De lente was gestaag gevorderd en de tuin zag er goed uit. Het was een grote tuin met enkele fruitbomen langs de kanten. De lelietjes van dalen stonden in bloei net als het fluitenkruid in het stukje grond dat vrij was gemaakt van gras. De sleutelbloem was ook nog ergens te bespeuren. Achterin stond een tafeltje met een paar stoelen eromheen. Als het goed weer was konden
bewoners daar gaan zitten, zoals ook nu het geval was. Gisteravond was een alleenstaande moeder met twee van haar kinderen binnengekomen en ze zaten nu achter in de tuin van het zonnetje te genieten. De twee jonge kinderen Aafte en Lorena waren aan het spelen met het speelgoed dat in de tuin lag. Ze woonde samen met haar vriend en wilde haar relatie al eerder verbreken, door de talrijke ruzies en onenigheden die ze met hem had. Totdat gisteren de bom barstte. Huiselijk geweld noemden ze het. Door de politie was ze naar 'De Opvang' gebracht. Ze wilde niet meer terug. Ze wilde niet meer terug naar haar vriend en zat nu met twee van haar kinderen in de tuin van 'De Opvang', wachtend op de dingen die komen gingen.
Fenke kwam de tuin in lopen en nadat hij de nieuwkomers had opgemerkt liep hij er rustig naartoe.
‘Goeiedag’, zei hij hard en opgewekt tegen Aafte en Lorena. ‘Zijn jullie fijn aan het spelen?’, ging hij daarna verder.
Lorena keek even op en ging weer verder met spelen. Aafte zei dat ze gisteravond waren aangekomen en ging vervolgens weer met Lorena spelen. Fenke liep door naar de moeder en vroeg of ze wat wilde drinken.
‘Kopje koffie? De kinderen zullen wel een glaasje limonade lusten’, zei hij. Aafte en Lorena keken beide even op en wisselden blikken met hun moeder. ‘Eh, ja’, zei ze ‘Hebben ze dat hier? En doe mij maar een kopje koffie graag’.
‘In de keuken staat een fles siroop speciaal voor de kinderen. Daar zal ik twee glaasjes limonade uit halen. Ik ben zo terug’. Weg was hij, twee glaasjes limonade halen en een koffie. Voor zichzelf nam hij een kopje thee.
